Armand Ory: ‘De priester in het gedrang’


Landgraaf, 10-12-2016, Legioen Kleine Zielen, pastoor Geudens.

Gidsen en Herders gevraagd 

Iedereen weet dat in het vrije Westen een dreigend gebrek aan priesters bestaat. Menig pastoor is de laatste in zijn parochie. Binnen een tiental jaren zullen de meesten van hen niet meer fungeren, omdat ze dan te oud zullen zijn of reeds gestorven. En nieuwe kandidaten zijn uitermate schaars. De toestand is dramatisch. Normaal zou er een noodkreet moeten opstijgen: Priesters gevraagd! Asjeblieft! Dringend! Priesters gevraagd!

Sommige mensen lanceren een heel andere kreet, met weglating van het verlangen naar priesters. Hun noodkreet is: ’Gidsen en herders gevraagd’. Men voelt blijkbaar nood aan gidsen, die de juiste weg kunnen tonen; men voelt blijkbaar minder nood aan priesters.

De vele nieuwe ambten en diensten te midden van het Godsvolk laten vermoeden dat het priesterschap, zo niet afgeschreven, dan toch op het achterplan geraakt is in deze moderne tijd. Een gewezen seminarist, die onlangs de cursussen volgde in een opleidingscentrum en thans als jonge priester in de pastoraal werkzaam is, vertelt dat hij eigenlijk nooit duidelijk het profiel van de priester ontwaard heeft in zijn cursussen ter zake.

Stel u voor dat een student-geneeskunde of een student-ingenieur tijdens zijn opleiding moeite zou hebben om het profiel van geneesheer of ingenieur te ontwaren in zijn cursussen! Wat ondenkbaar is in deze profane opleiding, is soms werkelijkheid geworden in de priesteropleiding.

Waar nog het profiel van de priester ontwaren in het bos van ambten en diensten, van gidsen en herders? Normaal zou het profiel van de priester in een grootseminarie moeten stralen uit de cursussen zoals een lichtbaken schijnt voor matrozen op zee. Het zou de blikvanger bij uitstek moeten zijn, om veilig de haven binnen te varen.

Vele seminaristen hebben de indruk tijdens hun opleiding dat ze naar hun ideaal, het priesterschap, moeten zoeken als naar een verdoken rietstengel in een rietveld. Een onooglijk sprietje tussen duizenden andere stengels. Waarom is het ideaal van het priesterschap zo diep in de verdrukking geraakt? Heeft dit te maken met sociologie of met theologie, en zo ja, met wat soort van theologie? Is het priesterbeeld door een sociologische context te herijken?

Een gulden middenweg 

Iedereen wil een gulden middenweg bewandelen. Ook op dit gebied wordt de stelling gehuldigd: ‘Grondovertuiging is dat niet alleen een clericale maar ook een priesterloze kerk een scheefgetrokken kerkbeeld is.‘

Dat een priesterloze Kerk binnen de catholica een scheefgetrokken situatie voorstelt, weet iedereen. Heeft het evenwel nog zin te spreken over een ‘clericale Kerk’ in dit tijdsbestand, nu de vooruitzichten op die priesterloze toestand verre van utopisch zijn?

Wat wordt bedoeld met een ’clericale Kerk’? Een Kerk waarin de clerus de perken te buiten gaat; te veel machtsvertoon aan de dag legt; te zeer haar wil opdringt aan anderen?

Vijftien jaar geleden stonden velen nog als priester in het onderwijs met een haast uitsluitend profane leeropdracht: Latijn, Grieks, Frans, wiskunde, geschiedenis. Behoorden dergelijke priesterleraars toen en ook nu nog tot een ’clericale Kerk’, omdat zij als priester profane vakken onderwezen in een katholieke school?

Of is een clericale Kerk, een kerk waar een ’priester’ hoofd is van de eredienst? Heet men voortaan een parochie met inwonende priester een clericale parochie? En trekt dat inwonen de situatie scheef, in de ogen van sommigen die het wegvallen van de priester toejuichen?

Bestaat in Polen, bestaat in Joegoslavië een scheve situatie omdat de seminaries er proppensvol zijn? Werkt het groot aantal roepingen de ‘clericale Kerk’ soms in de hand? Aansluitend bij de jongste Synode over de opleiding van de priesterkandidaten stonden bisschoppen uit het Westen verbaasd, toen bisschoppen uit het Oostblok vertelden dat zij er zoveel roepingen hadden.

Bij deze confrontatie kregen bisschoppen uit het Westen ’medelijden’ met die bisschoppen uit het Oostblok, omdat zij niet voldoende professoren en gebouwen hadden voor hun kandidaten. Zij stelden onmiddelijk voor hun professoren te sturen naar de seminaristen achter het IJzeren Gordijn. Hadden zij niet beter enkele priesters van daar naar hier uitgenodigd als missionarissen in onze ontkerstende landen?

Of zou het kunnen dat er juist zoveel roepingen zijn in het Oostblok, omdat zij er dat soort professoren missen, die in het Westen Kerk en Evangelie, paus en priesterschap in twijfel trekken? Vormen rijkgevulde seminaries wel een scheefgetrokken Kerk, omdat er dan ‘priesters’ benoemd kunnen worden op alle belangrijke posten in de Kerk? Of zijn vele en goede roepingen het bewijs van een oergezonde Kerk?

Moest men tussen een Kerk zonder priester en een Kerk met overvloedige roepingen een gulden middenweg zoeken, waarbij de priester schaars geworden is en vele kansen geboden worden aan gidsen en herders van allerlei slag? Is dat wel degelijk een voorbeeld van gulden middenweg? Of is dat veeleer een symptoom van geestelijke teloorgang?

Thans zijn de rollen omgekeerd. Vroeger moesten priesters vaak profane vakken doceren; thans worden godsdienstlessen meestal door leken gegeven, waarvan niet altijd gevergd wordt dat ze ‘gelovig’ zijn. In sommige kringen volstaat het dat een godsdienstleraar ‘neutraal’ informatie doorspeelt over een of andere godsdienst, zoals een priesterleraar ook neutraal informatie kan overbrengen aan zijn leerlingen over Griekse mythologie. Ook worden lekentheologanten opgeleid om stap na stap zoveel mogelijk openstaande functies in het kerkelijk leven in te palmen.

Wat beogen mensen die zo’n kerkpolitiek voeren? De opbloei of de afschaffing van het Christendom? Beide zijn mogelijk.

Sommige priesters krijgen de indruk liefst zo snel mogelijk te moeten verdwijnen. Sommige erfgenamen van mijnheer pastoor kijken deze laatste de deur uit. Velen gaan akkoord met de volgende keuze: ’Parochies zonder ter plaatse wonende pastoor. Welke uitdaging en welke kansen brengt dit met zich mee?’

Dat sommige bisschoppen en gelovigen desondanks het wegvallen van de priester als de ’ramp der rampen’ beleven, lijken zij niet te beseffen. Breng honderd, breng duizend gidsen en herders bijeen, zij zijn niet in staat één H. Mis op te dragen. En dat is veruit het voornaamste wat onze gelovigen nodig hebben.

Jezus heeft geen nieuwe godsdienst gesticht!

Wie argwanend staat tegenover het priesterschap, houdt er ook vaak bizarre ideeën op na over Jezus. Zo schrijft een gekend theoloog: “Jezus wil geen nieuwe godsdienst stichten. Hij heeft niet de bedoeling een apart Godsvolk of een nieuwe religieuze groepering naast Israël op te richten. Hij wil integendeel heel Israël werven voor deze beslissende heilsdoorbraak”. 

In deze bewering zijn uiteraard betrouwbare en niet-betrouwbare elementen versmolten. Waar is, dat Jezus heel Israël heeft willen werven voor zijn beslissende heilsdoorbraak. Toch heeft Hij een totaal nieuwe godsdienst gebracht. Waarom zouden de wetgetrouwe joden anders zijn dood geëist hebben? Joden weigerden een mens als God te aanbidden, zelfs indien deze mens keizer van Rome was. Toch aanbaden joodse volgelingen van Jezus – onder meer de twaalf apostelen – de mens Jezus als God.

Het Christendom belijdt trouwens deze godheid van Jezus als een van de hoofdpunten van zijn openbaring. Treedt het Christendom hierdoor alleen reeds niet aan als een gloednieuwe godsdienst? Het Jodendom aanbidt geen Godmens; het Christendom wel. Of mag men achterste voor redeneren. Wie niet meer aanvaardt dat Jezus een nieuwe godsdienst heeft gesticht, twijfelt misschien ernstig aan zijn godheid?

Deze godheid was wel degelijk geopenbaard door Jezus. Het is geen hoedje dat zijn volgelingen Hem op het hoofd hebben gezet. Als sommige moderne theologen dat toch beweren, verkondigen zij dan een nieuwe waarheid, of een oude dwaalleer?

Laatste Avondmaal zonder priesterwijding?

In dezelfde lijn wordt hier en daar verkondigd: “Zo is het een duidelijk anachronisme te zeggen dat Jezus op het Laatste Avondmaal zijn eerste priesters heeft gewijd.”

Wat bedoelt men met deze uitspraak? Anachronisme betekent iets uit een latere tijd plaatsen in een vroegere tijd of vice versa. Iets wat niet past bij een bepaalde tijd. Zo beweren sommigen dat de priestertoga een ’anachronisme’ is in onze tijd, een overblijfsel uit het verleden, hier of daar nog gehandhaafd door iemand die de evolutie gemist heeft. Een attribuut voor Bokrijk.

Betekent deze bewering wellicht dat het priesterschap niet door Jezus is ingesteld, maar een uitvinding is van latere datum en onterecht overgeheveld werd naar het Laatste Avondmaal?

Of is de auteur belust op spitsvondigheden als hij beweert dat Jezus geen priesters heeft gewijd op dat moment? Om priesters te wijden draagt een bisschop steeds een kazuifel. Jezus heeft geen kazuifel gedragen, noch bij de wijding van de apostelen tot priester, noch bij het opdragen van zijn eigen offer op Calvarië.

Volstaat dit ontbreken van een kazuifel evenwel om te zeggen dat het een duidelijk anachronisme is te zeggen dat Jezus op het Laatste Avondmaal zijn eerste priesters heeft ‘gewijd’?

Of wat moest Jezus nog meer doen dan zeggen aan zijn apostelen: ‘Doet dit tot mijn gedachtenis’, om vissers om te vormen tot priesters? Toch worden dergelijke ideeën doorgespeeld aan sommige priesterkandidaten.

Als Jezus geen nieuwe godsdienst gesticht zou hebben, is het ook wel logisch dat Hij geen priesters voor die godsdienst heeft ‘gewijd’. Als Hij wel een nieuwe godsdienst heeft willen stichten, is het even logisch dat Hij gezorgd heeft voor priesters in die nieuwe godsdienst met als gloednieuwe taak: ‘Doet dit tot mijn gedachtenis’. Hierdoor is de priester van het N.T. totaal verschillend van de priester van het O.T.‚ omdat Jezus’ nieuwe godsdienst, het Christendom, ook grondig verschilt van het Jodendom.

Een ecclesiologische kernvraag

Het begrip ’hiërarchie’ is bij velen tegenwoordig in discrediet geraakt. Priester Poppe had zijn spiritualiteit destijds nog opgebouwd, naast Eucharistie en Mariadevotie, op het grote belang dat hij hechte aan de hiërarchie, te weten paus, bisschop, priester.

Tegenwoordig zijn velen allergisch geworden van het begrip ’hiërarchie‘, omdat men het niet meer christelijk, maar veeleer marxistisch invult.

Een Franse ecclesioloog schrijft: “Al te lang is deze articulatie (van verantwoordelijkheid) gedacht volgens het schema clerus-leken. Mede onder druk van de heersende maatschappijmodellen heeft deze tweedeling zich in de geschiedenis verhard tot een strakke opdeling tussen bestuurders en onderdanen, leraars en luisteraars, celebranten en passieve participanten. Dit model was misschien aangepast aan de vroegere agrarisch-hiërarchische maatschappij. Maar het functioneert niet meer in onze verstedelijkte en hoog-technische wereld met zijn veralgemeend onderwijs en zijn functionele relaties. Dit model kon ook niet op een bevredigende manier de verantwoordelijkheid binnen de gelovige gemeenschap articuleren. De priesters werden overgewaardeerd en losgehaakt van de gemeenschap. Met een eigen macht bekleed konden zij als het ware op zichzelf priester zijn. Deze ’autonomisering’ van de clerus had als keerzijde een ’religieuze diskwalificering’ van de overige gelovigen. Zij konden niet echt participeren in het creatieve zoeken rond geloofsverwoording en liturgische gestaltegeving, in de opbouw van de gemeenschap en de liturgische gestaltegeving.” 

Wellicht is de huidige malaise rond de priester in de Kerk te begrijpen vanuit deze omschrijving. Het komt er op neer dat voorheen de priester over- en de gelovige onder-gewaardeerd werd. Wellicht waren er in de ogen van de auteur toen te veel priesters die te veel te zeggen hadden en breekt nu in zijn ogen de tijd aan waarin de priester in aantal en in invloed drastisch afslankt en de gelovige aangroeit in participatie.

Of deze visie christelijk of onchristelijk is valt te onderzoeken. De auteur geeft blijk geen jota begrepen te hebben van wat een katholieke Kerk is en haar bedienaar de priester. Hij beoordeelt de Kerk als een van de honderden maatschappijen. Volgens de marxistische maatschappij-analyse deelt hij de kerkleden op in heersers en onderdrukten: bestuurders, leraars en celebranten enerzijds, onderdanen, luisteraars en participanten anderzijds.

Deze opdeling is in zijn ogen verkeerd en houdt een scheefgetrokken kerkbeeld in stand. Hij gaat er alleszins tegen aan. Vroeger paste dat, volgens de auteur, wellicht in een agrarisch-hiërarchische maatschappij, thans functioneert dat niet meer in een verstedelijkte wereld.

De clerus was autonoom, hij had het voor het zeggen, de overige gelovigen konden niet echt deelnemen in het creatieve zoeken rond geloofsverwoording, liturgie, opbouw van de gemeenschap en dienst aan de wereld, zo beweert hij.

Het zou natuurlijk ook kunnen dat het aangevochten kerkbeeld wel het juiste kerkbeeld was en is, en dat het aangeprate kerkbeeld totaal scheefgetrokken is. Dit is de uitdaging die ons voorgelegd wordt. Dat moet onderzocht worden.

In het ene geval juicht men, in het andere geval treurt men als de priester op onze dagen verdwijnt of althans afslankt. Biedt het wegvallen van de priester in onze parochies reuzekansen voor leken, of luidt dat de teloorgang van Kerk en Christendom in?

In deze context is er sprake van een agrarische-hiërarchische maatschappij. Wil dit zeggen dat de hiërarchie van de Kerk (paus, bisschop, priester) voorbijgestreefd is, nu iedereen onderwijs genoten heeft?

De Kerk een eigen maatschappij

Hoofdfout in deze redenering is de vergetelheid dat de Kerk een maatschappij ’sui generis’ is. Als maatschappij heeft de Kerk een totaal eigen structuur en dat is te verklaren vanuit haar goddelijke oorsprong.

Zij is in het leven geroepen door Jezus Christus, die ons een totaal nieuwe waarheid geopenbaard heeft. Alle geloofsmysteries overstijgen het menselijk vernuft. In het Evangelie staat deze openbaring opgetekend.

De hiërarchie, van paus tot priester, staat rechtstreeks in dienst van deze openbaring, om ze integraal en onvervalst door te spelen aan de gelovigen. Dit heeft niets te maken met klassenstrijd of standenverschil.

Heeft Jezus niet gezegd: ’Gaat en onderwijst alle volkeren.’ Impliceert dit niet dat de gemandateerden trouw voortverkondigen aan de gelovigen wat Jezus geopenbaard heeft en de Kerk voorhoudt te geloven? Natuurlijk zijn er dan leraars en luisteraars, celebranten en participanten. Zelfs een hoogleraar aan een universiteit, die heel de dag door doceert, is in wezen luisteraar tegenover het leergezag van de Kerk, behartigd door de hiërarchie. Niet omdat de leden van de hiërarchie slimmer zouden zijn dan hoogleraars, maar omdat zij een wijsheid doorspelen, die hun door Jezus geopenbaard werd.

In deze context heeft de gelovige niet het recht creatief te zoeken of Jozef toch de natuurlijke vader van Jezus kan zijn, niet het recht te loochenen dat Maria lichamelijk maagd is, en niet het recht te loochenen dat Jezus God is. De geloofsverwoording hoort finaal niet thuis bij de man in de straat, maar bij het officieel leergezag van de Kerk. Waarom? Deze hiërarchie heeft als taak trouw de openbaring van Jezus te handhaven; gelovigen aan de basis zijn er tegenwoordig vaak op uit eigen waarden en waarheden, die opgang maken in een bepaalde tijd en in een bepaald land, als geloofsinhoud te nemen.

De teksten van canon en consecratie mogen bv. niet ‘creatief’ samengeknutseld worden in een of ander liturgisch atelier. Als de gelovigen hier hun eigen gang gaan en formules bedenken die indruisen tegen de gegevens van de hiërarchie, trekken zij de Kerk scheef. En niet andersom. Door de auteur wordt min of meer gesuggereerd dat de Kerk scheef staat, als de priester zijn liturgische voorschriften onderhoudt in trouw aan de hiërarchie, en dat ze recht staat als iedereen creatief zijn eigen liturgie zou bedenken.

Hierdoor zou het mysterie van de werkelijke aanwezigheid in de H. Hostie het eerste punt zijn dat kwijtgespeeld wordt. Dit is het centrale punt van het laatste Avondmaal, tijdens hetwelke Jezus gevraagd heeft: ‘Doe dit tot mijn gedachtenis.‘

Een mens kan met zijn verstand niet begrijpen hoe een stukje brood werkelijk het Lichaam van Christus kan worden, hoe een slokje wijn werkelijk het H. Bloed van Christus kan worden. Om dat mysterie te omzeilen proberen heel wat liturgische ateliers nieuwe formules te bedenken, waarin dat grondmysterie naar menselijke maat vertaald wordt.

De priester, als trouw lid van de hiërarchie, staat deze knutselaars in de weg, omdat ze dan hun eigen bedenksels niet aan de man kunnen brengen. Het rechte kerkbeeld wordt door sommige voorgangers en -gangsters scheef genoemd. Vandaar een aanval op de hiërarchie in het algemeen en op de priester in het bijzonder. Voorlopig hem natuurlijk nog niet afschaften. De priester kan alleen vervangen worden door de priester, schrijft de auteur, maar als hij niet vervangen wordt grijpen wij de kans van ons leven.

Jezus was een leek

Wie over het priesterschap nadenkt, komt uiteindelijk terecht bij Jezus, aan wie elke priester zijn wijding ontleent. De auteur blaast warm en koud over het priesterschap van Jezus. Citaat: Jezus behoorde niet tot de priesterklasse. Hij was zo je de term al kunt gebruiken, een leek”.

Deze formule is vatbaar voor kritiek. Dat Jezus niet thuishoorde in de Joodse priesterklasse, zoals Zacharias, de vader van Johannes de Doper, is juist. Als daaruit afgeleid wordt dat Jezus een ‘leek’ was, wil dit zeggen dat Jezus ook geen priester genoemd mag worden van het N.T. want leek wordt bij ons gebruikt als tegenhanger van priester.

Misschien zou een juistere formule zijn: Jezus behoorde niet tot de Joodse priesterklasse, maar Hij was de eerste hogepriester van het Nieuwe Verbond en als dusdanig was Hij geen leek.

Men kan moeilijk onwetend zijn over de Hebreeënbrief, die Jezus de enige, echte ’hogepriester’ noemt. Waarom Jezus dan tussendoor een ‘leek’ noemen, dat bij ons betekent ’geen priester’?

Wie een aanval beraamt op het priesterschap doet er natuurlijk goed aan de oorsprong van het priesterschap bij Jezus in vraag te stellen, of daaromtrent verwarring te zaaien.

Jezus’ kruisdood wordt meteen in het gedrang gebracht. Wie het offerkarakter van de H. Mis wil aanranden, doet er best aan dit reeds in de kiem te smoren, nl. bij Jezus’ eigen kruisdood. Velen hebben tegenwoordig moeite met Jezus’ kruisdood, als zijnde meer dan een fiasco, nl. als bewerker van de verzoening van het zondige mensdom met God. Hier en daar leest men bij een theoloog het volgende: “Zijn kruisdood is geen ritueel sacrificie maar de uiterste en brutale consequentie van zijn godsdienstig leven dat zich vertaalde in radicale mensendienst. Dat kruis was ook geen zoenoffer om een vertoornde godheid te bedaren.” 

Dit kan ’listig proza’ genoemd worden. Tegen de leer van de Traditie in worden woorden als ’sacrificie’ en ’zoenoffer’ ontkend, maar op een listig aanvaardbare wijze. Sommigen beweren zo ook dat in bepaalde gevallen ’officiële’ bedevaarten verboden zijn, wat juist is, om hierdoor de idee te verspreiden dat ’bedevaarten’ zonder meer verboden zijn, wat onjuist is. Zo wordt nu beweerd dat Jezus’ kruisdood geen ’ritueel’ sacrificie is, wat waar is, om stiekem te leren dat het geen ’sacrificie’ zonder meer is, wat verkeerd is.

Het ’sacrificie’ van Jezus op het kruis is inderdaad geen ‘ritueel’ offer; anders moest Jezus de gepaste gewaden hebben aangetrokken, die een priester draagt tijdens de rituele plechtigheden. Jezus was daarentegen zelfs van zijn gewone klederen beroofd.

Het gevaar is evenwel niet denkbeeldig dat menig lezer elk offerkarakter van Jezus‘ kruisdood leert loochenen, na gelezen te hebben dat het geen ‘ritueel’ sacrificie is.

De auteur gokt daarbij verkeerd omtrent de doodsoorzaak bij Jezus‘ terechtstelling, als hij beweert dat deze te verklaren is door zijn radicale ‘mensendienst‘. Dit is ‘larie’ die wel vaker als theologie op de merkt wordt gebracht.

In verband met het begrip ‘zoenoffer’ blaast hij koud en warm tegelijk. Misschien is het geen zoenoffer om een ’vertoornde godheid te bedaren’, zoals in de heidense religies, maar het zou verkeerd zijn daaruit af te leiden dat Jezus’ kruisdood geen ‘zoenoffer’ is zonder meer. En dit wordt blijkbaar gesuggereerd. Veiligheidshalve komt Sint Paulus toch ook ter sprake waarin de ’verzoening’ dan weer wel aan bod komt: ‘God was het die in Christus de wereld met zich verzoende’ (2 Kor. 5,19).

Waarom ja en neen schrijven op éénzelfde bladzijde? Dan is de auteur in staat zich wit te wassen als hij aangevallen wordt voor heterodoxie, en kan hij toch zijn eigen visie verkondigen, in de overtuiging dat het kwaad sterker is dan het goede, de leugen rapper is dan de waarheid.

Aan de hand van de Boodschap

Beëindigen wij deze benadering van de huidige aanval op het begrip priester met een citaat uit de Boodschap van Jezus’ barmhartige Liefde: “Vraag mijn priesters, dat ze mijn volk herbronnen in de Liefde en de Waarheid. De priester draagt het merkteken van zijn God, het is onuitwisbaar en als zodanig heeft hij recht op de diepste eerbied vanwege al mijn kinderen. De dwaling en de ontrouw van sommige leden van de Heilige Kerk kan het Stempel niet uitwissen waarmee de Heer hun ziel gemerkt heeft. Bidt met grote naastenliefde voor uw priesters die blootstaan aan verschrikkelijke bekoringen. Mijn kleine zielen, stelt uw trouw en uw liefde tegenover de machten van het kwaad die de wereld beheersen met hun ketterijen. Blinden leiden blinden op dit ogenblik. Ze hebben alle zin voor de bovennatuurlijke realiteiten verloren en de mens is een god geworden voor de mens. Ze aanbidden wat ze moesten verbranden. Op listige wijze doden zij God in de zielen. De liefde heeft antennes die de golven van het kwaad opvangen en deze teniet doen. Maar wie de liefde niet heeft is verloren” (2.5.1971).

Armand Ory

Zeer Eerwaarde Heer Pastoor Armand Ory werd geboren te Hoepertingen (Belg. Limburg) op 10 januari 1927 en overleed, uitgeput van zijn noeste arbeid, in de Heer te Sint-Truiden op 9 november 2002. Hij werd priester gewijd te Luik op 22 juli 1952. Was leraar te Genk en te Borgloon en daarna gelijktijdig pastoor te Hendrieken-Voort en Gelinden (Belg. Limburg). Na zijn scheiding van de Kleine Zielen werd hij stichter-schrijver van “Sint-Lambertus kring”. Bij zijn overlijden hield dit op te bestaan. Zijn belangrijkste werk tijdens zijn leven was het aanbieden aan de H. Kerk van de “Funktionele Exegese”, boek met imprimatur van Mgr. Heuschen, over de historiciteit van de Evangeliën, en een aantal boeken waarin deze exegese op de Bijbel (N.T.) wordt toegepast.

Overlijdensbericht pastoor Ory: http://www.inmemoriam.be

Verdieping in de werken van pastoor Ory: Op de KULeuven KADOC  (Katholiek documentatiecentrum) zie hun website; https://kadoc.kuleuven.be

Uit; Tijdschrift ‘Het Legioen Kleine Zielen’, Orgaan van het Legioen Kleine Zielen van Het Barmhartig Hart van Jezus, Uitgever G. De Winter, Deurne, Achttiende Jaargang, Nr. 4, December 1990, blz. 9-17.


Advertisements

Geef een reactie

Gelieve met een van deze methodes in te loggen om je reactie te plaatsen:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s