Kan men tegelijkertijd christen en vrijmetselaar zijn?


tempel1

Annecy, 12 augustus 2013 (Vertaling: Walter van Goethem, dicoc.be/nl)

Wegens zijn actief lidmaatschap van een vrijmetselaarsloge werd een priester onlangs ontzet uit zijn ambt. Deze maatregel werd genomen door Mgr. Yves Boivineau, bisschop van Annecy, op verzoek van Rome. Wij publiceren hierna de mededeling van het bisdom die deze maatregel rechtvaardigt.

Het Wetboek van Kerkelijk Recht van 1983 vermeldt niet uitdrukkelijk de vrijmetselarij, zulks in tegenstelling met dit van 1917. Dat werd soms verklaard als een wijziging van het standpunt van de Kerk. In een nota van 26 november 1983 verduidelijkt de Congregatie voor de Geloofsleer dat “het oordeel van de Kerk omtrent de vrijmetselaarsverenigingen ongewijzigd blijft… en het lidmaatschap van deze verenigingen verboden blijft door de Kerk”, zulks wegens de onverzoenlijkheid tussen de principes van de vrijmetselarij en deze van het christelijk geloof.

De Congregatie voor de Geloofsleer stelt zich op het vlak van het geloof en de morele vereisten ervan, vermits het feit zich aan te sluiten bij de vrijmetselarij de grondvesten van het christelijk bestaan aantast.

Het relativisme ligt aan de basis zelf van de vrijmetselarij. Het is de knoop zelf van de onverzoenlijkheid, wegens de gevolgen op de inhoud van het geloof, op de geloofsakte zelf, op het morele handelen en op het behoren tot de Kerk, het Lichaam van Christus.

De vrijmetselaars ontkennen de mogelijkheid van een objectieve kennis van de waarheid. Men vraagt aan een vrijmetselaar een vrij mens te zijn, die geen enkele onderwerping aan een dogma kent, wat de fundamentele verwerping van alle dogmatische stellingen insluit: “Alle instellingen die op een dogmatische grond berusten, — waarvan de katholieke Kerk als de meest representatieve kan beschouwd worden —, oefenen een dwang van het geloof uit” (Lennhoff – Posner, Dictionnaire franc-maçon international, Wenen 1975, p. 374). Men verwerpt dus ieder dogma onder het voorwendsel van de “onbeperkte verdraagzaamheid”.

Aldus houdt de vrijmetselaar met betrekking tot iedere geopenbaarde waarheid het primaatschap en de autonomie van de rede voor. Hij weigert de idee zelf van een openbaring, vermits de godsdiensten worden beschouwd als concurrerende pogingen om de waarheid uit te drukken over God, die uiteindelijk onbereikbaar, niet te kennen is. Iedereen oordeelt uit zichzelf over de waarheid, en is voor zichzelf zijn eigen norm. Aan haar zelf overgeleverd, heeft de rede niet meer als einddoel het zoeken van de Waarheid. Zij hangt af van de willekeur van ideologieën of van subjectieve constructies. “In alles is het de menselijke rede en de menselijke natuur die soeverein blijven”. Van waar het typisch vrijmetselaarsargument van “absolute vrijheid van geweten”.

Er is dus volgens de vrijmetselarij geen enkele objectieve kennis van God als persoonlijk Wezen. Dit is het tegengestelde van de christelijke opvatting van God die zich openbaart, in dialoog komt met de mens, en van het antwoord van de mens die zich tot Hem richt en Hem Vader en Heer noemt. Het Tweede Vaticaanse Concilie drukt het in deze woorden uit: “Het heeft God in zijn goedheid en wijsheid behaagd zichzelf te openbaren en het geheim van zijn wilsbesluit bekend te maken, waardoor de mensen door Christus, het vlees geworden Woord, in de Heilige Geest toegang hebben tot de Vader en deelgenoten worden gemaakt van de goddelijke natuur. Door deze openbaring spreekt dus de onzichtbare God uit de overvloed van zijn liefde de mensen aan als zijn vrienden en gaat met hen om, om hen uit te nodigen tot de gemeenschap met Hem en hen daarin op te nemen.” (Dei Verbum 2).

De dogma’s in de Kerk zijn de uitdrukking van het van de Apostelen ontvangen geloof. Het zijn geen arbitraire, in zichzelf opgesloten formuleringen. Het zijn eerder bakens die het mysterie van Christus aanwijzen, “de Weg, de Waarheid en het Leven” (Joh. 14, 6). Deze “definities” van het geloof worden ons gegeven om ons verstand te verlichten en ons geloof te verklaren.

Door het voorhouden van het primaatschap en de autonomie van het verstand tegenover iedere geopenbaarde waarheid, beweert de mens zich onophoudelijk te vervolmaken door zich te steunen op zijn zelf-scheppend kunnen. Volgens de vrijmetselaars-“filosofie” heeft de mens geen redding nodig. Nu is het Evangelie de blijde aankondiging van het heil: de christen verwacht en ontvangt het heil van de barmhartige genade van God, in de persoon van Jezus Christus die juist de Verlosser is (Jezus = “God redt”). “Het is precies door de genade dat ge gered zijt, wegens uw geloof. Niet uit u zelf, het is een gave van God.” (Ef. 2, 8).

Ook op het ethisch vlak zijn de verschillen aanmerkelijk. Voor de vrijmetselaar zijn de morele regels geroepen onophoudelijk te evolueren onder de druk van de openbare opinie en van de vooruitgang van de wetenschap. De moraal evolueert naargelang de consensus van de maatschappij. Al is de mens inderdaad altijd gesitueerd is in een bepaalde maatschappij, moet men toch toegeven dat de mens niet volledig door deze cultuur bepaald wordt, dat hij niet het “product” is van een cultuur. Er bestaat in de mens iets dat de culturen overstijgt: dat wat het christelijk geloof uitdrukt door te bevestigen dat “de mens geschapen is naar het beeld van God”.

De vrijmetselarij betwist zo ieder moreel en doctrinair gezag, rekenend op de morele autonomie, door de argumenten van gezag uit te sluiten, en door een onbeperkte gewetensvrijheid te eisen. Het is tenslotte het rijk van het “Ik”! En het overheersen van het relativisme … De verscheidene godsdienstige geloofsbelijdenissen waar hun aanhangers bij horen worden beschouwd als ondergeschikt aan het meer omvattende en supra-confessionele toebehoren aan de vrijmetselaarsbroederschap: wat tot niet anders kan leiden dan tot het alles keuren en beoordelen vanuit het vrijmetselaarsoogpunt… zonder er zich rekenschap van te geven.

Zich inzetten voor de vrijmetselarij wijzigt de christelijke geloofsdaad. Het kan niet neutraal zijn: de initiatieritussen in het geheim van de loges hebben onvermijdelijk invloed op de leden. Het opeisen van de “absolute gewetensvrijheid” is het resultaat van de relativistische “doctrine” die zich geleidelijk opdringt, zelfs buiten het weten van de betrokkenen. Vermits de vrijmetselarij voor haar leden een totale aanhankelijkheid opeist, is het duidelijk dat het “tweevoudig deel uitmaken” onmogelijk is voor een christen die “aan Christus toebehoort” (Rom. 14, 8).

De Kanselarij van het Bisdom Annecy

Refertes:

– “L’Eglise et la franc-maçonnerie. Déclaration de l’épiscopat allemand”, La Documentation Catholique, nr. 1807 – 3 mei 1981, p.444-448.

– “Foi chrétienne et franc-maçonnerie”, Osservatore Romano 26.11.83, La Documentation Catholique, nr. 1895 – 5 mei 1985, p. 482-483.

Commentaar :

Uit deze brief valt af te leiden dat er weinig of geen verschil is tussen de ideeën van de vrijmetselarij en die van vrijzinnige verenigingen.

Bron: www.katholiekforum.be


Geef een reactie

Gelieve met een van deze methodes in te loggen om je reactie te plaatsen:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s