O. L. Vrouw van La Salette, een Boodschapster die bekeert



LA SALETTE

DE VOLLEDIGE WAARHEID OVER DE VERSCHIJNING VAN 1846

Op 19 september 1846 verscheen de H. Maagd Maria in de Franse Alpen aan twee kinderen. De echtheid van deze gebeurtenis werd door de Kerk officieel erkend, maar niettemin bleef er altijd een waas van onduidelijkheid over La Salette hangen, vooral in verband met de twee zienertjes Maximin Giraud en Mélanie Calvat. In 1996 wijdde abbé de Nantes aan de Verschijning een grondige studie.

TOEN ik in 1946 op het seminarie van Issy-les-Moulineaux verbleef, sprak onze superior – die nochtans een grote devotie had voor de “ goddelijke Maria ” – op een keer voorzichtige twijfel uit over de realiteit van de Verschijning in La Salette. Ik was erdoor van mijn stuk gebracht, en de twijfel begon ook aan mij te knagen. Ik meende er stevige redenen voor te hebben : het middelmatig gedrag van beide kinderen, de onbegrijpelijke verzinsels van Mélanie, het extravagante gedrag van Maximin en zelfs zijn bekentenis dat hij tegen de Pastoor van Ars gelogen had, waarop deze heilige man ophield met in de Verschijning te geloven… alvorens acht jaar later tot zijn oorspronkelijke overtuiging terug te keren !

Maar mag ik wel zo spreken ? Er is het feit van de Verschijning, de boodschap, de reactie van de Kerk. Er hebben zich mirakels voorgedaan : Mgr. Giray heeft er in 1921 twee boekdelen mee gevuld. En de bekeringen… Immense volksmassa’s, arme en nederige boerenmensen, vol berouw, hebben biddend en smekend de zware klim naar boven aangevat om daar vergiffenis te verkrijgen, van hun zonden gereinigd te worden en terug verzoend te worden met de Hemel.

De liberale bourgeoisie van die tijd, vervuld van de geest van Voltaire, werd geconfronteerd met het bovennatuurlijke in de persoon van een « mooie Dame » die bittere tranen weende en die dialect sprak met twee onontwikkelde kinderen aan wie ze haar boodschap toevertrouwde… Natuurlijk deden die “ weldenkenden ” er alles aan om de spot te drijven met de brave pastoors en met de boeren die zich ogenblikkelijk bekeerden, die stopten met vloeken en op zondag te werken en die – was dat toeval ? – op sleeptouw genomen werden door een « reactionaire » bisschop : een prelaat die ontkomen was aan de gevangenissen van de revolutionaire Terreur, die ultramontaans was (zij waren gallicaans) en legitimist (zij waren aanhangers van de constitutionele monarchie van “ burger-koning ” Louis-Philippe) !

Laten we beginnen met het relaas van de Verschijning. Daarna zullen we proberen om het echte Geheim te onderscheiden van de valse geheimen die de waarheid over La Salette tot op vandaag verduisteren. Ik wil het resultaat van mijn opzoekingswerk aan niemand opleggen : zoals altijd moet alles voorgelegd worden aan het oordeel van het soeverein leergezag van onze Moeder de H. Kerk.

RELAAS VAN DE VERSCHIJNING VAN ONZE-LIEVE-VROUW VAN LA SALETTE
door E.H. Giray, missionaris van La Salette (1911)

Het was 19 september 1846, een zaterdag, vooravond van het feest van Onze-Lieve-Vrouw van Zeven Smarten, rond 3 uur in de namiddag ; de hemel was wolkenloos, er was geen mist… Op dat ogenblik – onder een stralende zon die elke illusie of elk bedrog onmogelijk maakte – vond op de berg van La Salette, 1800 m hoog, een wonderteken plaats in het bijzijn van twee herdertjes : een « mooie Dame » verscheen plotseling voor de verrukte ogen van Pierre-Maximin Giraud en Françoise-Mélanie Calvat-Mathieu. De twee kinderen, van wie de een net elf geworden was en de ander bijna vijftien was, waren geboren in Corps en hadden als gemeenschappelijke kentrekken hun afkomst, hun armoede, hun onwetendheid, hun onschuld en zelfs hun beroep. Maar hun karakter was heel verschillend : de kleine jongen was druk, oppervlakkig en extrovert, terwijl het meisje humeurig, zwaarmoedig en weinig communicatief was.

Bovendien kenden de twee kinderen mekaar nauwelijks. Mélanie, die vier jaar ouder was dan Maximin, was al van haar zeven of acht jaar “ in dienst ”, zodat Maximin zelfs niet van haar bestaan afwist. Na op verschillende plaatsen gewerkt te hebben hielp het meisje vanaf maart 1846 bij Baptiste Pra, landbouwer in La Salette in het gehucht Les Ablandins. Maximin was in hetzelfde dorp in dienst bij Pierre Selme, om als tijdelijk vervanger van een zieke stalknecht voor vier koeien te zorgen.

Maximin ontmoette Mélanie voor de eerste keer op donderdagavond 17 september. De dag daarop zag Pierre Selme, die bezig was met hooien aan de voet van de Planeau de la Salette, hen spelen ; ze waren vooral bezig met het opeenstapelen van stenen om zgn. “ paradijsjes ” te maken, versierd met alpenbloemen.

De negentiende bevonden zij zich op dezelfde plaats, op de berg Sous-les-Baisses, met hun kleine kudden. Rond de middag, toen het Angelus klepte, gaven ze hun koeien in opdracht van Pierre Selme te drinken aan de Fontaine des Bêtes. Daarna trokken ze weer omhoog tot aan de vallei van de Sézia, waar ze bij de Petite Fontaine, die toen droog stond, hun karig middagmaal opaten. Totaal tegen hun gewoonte strekten ze zich toen op enige afstand van elkaar uit op het gras… en vielen in slaap.

Rond halfdrie werd Mélanie als eerste wakker. Ze wekte Maximin en beiden klommen omhoog naar het plateau dat het ravijn beheerste. Van daaruit zagen ze hun koeien vredig liggen herkauwen, waarna ze gerustgesteld weer naar beneden liepen. Plotseling stootte Mélanie een luide kreet uit, bij het zien van een stralende lichtbol waarvan de schittering de hele vallei vulde… Maximin kwam naar haar toe gelopen, en toen hij zag dat ze van schrik haar herdersstaf had laten vallen zei hij : « Hou je stok bij je… Als hij ons kwaad wil doen, zal ik eens een flinke tik geven ! »

Op dat moment opende de mysterieuze lichtbol zich en een « mooie Dame » werd zichtbaar, neergezeten op één van de “ paradijsjes ” van opeengestapelde stenen. Haar houding was er een van ontroostbaar verdriet, het hoofd in de handen en de ellebogen op de knieën… Even later stond zij recht, deed enkele stappen in de richting van de herdertjes en zei hen : « Kom dichterbij, kinderen, wees niet bang. Ik ben hier om jullie groot nieuws te vertellen. »

Gerustgesteld daalden de twee kinderen verder af in het ravijn en gingen tot dichter bij de Verschijning, die zij langdurig in ogenschouw konden nemen. Op haar hoofd een diadeem van stralen en een kroon van rozen. Een witte hoofddoek, afgezoomd met een band van rozen, over haar schouders geworpen. Een kleed van licht, helemaal wit met gouden lovertjes. Op haar borst een kruisbeeld, met een trektang en een hamer « die daar zomaar hingen zonder vastgemaakt te zijn » ; maar om het kruisbeeld te ondersteunen droeg de Dame rond haar hals een kleine ketting. Verder had zij nog een tweede ketting omhangen, een heel zware ketting die haar schouders naar beneden leek te drukken als om de last van onze zonden te symboliseren. Tenslotte droeg ze een goudkleurige voorschoot – de nederige dracht van « de dienstmaagd van de Heer » – en witte schoenen met gouden gespen en roosjes er op.

Haar gelaat was van een goddelijke schoonheid, maar getekend door een diepe droefenis. Maximin zag enkel haar voorhoofd en haar kin ; de rest was te stralend om iets te kunnen onderscheiden. Mélanie daarentegen kon het hele voorkomen van de Dame aanschouwen. Later vroeg men aan Maximin : « Hoe komt het dat jij niet de hele figuur van Onze-Lieve-Vrouw hebt kunnen zien, en Mélanie wél ? » – « Dat weet ik niet. Ik was misschien niet braaf genoeg. » – « Mélanie was dus braver dan jij ? » – « Dat weet alleen God… Misschien moest Mélanie bekeerd worden. Ik weet het niet ! » Die uitspraak kan er op wijzen dat Maximin het oudere meisje misschien benijdde omdat ze meer begunstigd was dan hij. In elk geval had hij uit het diepbedroefde accent van de stem opgemaakt dat het om een ziel in nood ging, « een moeder die door haar kinderen geslagen was en die de bergen ingevlucht was om te kunnen uithuilen ». Mélanie van haar kant begreep het mysterie van La Salette nog beter toen ze de tranen zag die uit de ogen rolden en oplosten in het licht, als vuurgensters…

Toen begon de « mooie Dame » te spreken, eerst in het Frans en daarna in het plaatselijk dialect. Wat ze zei was vermengd met klachten, verwijten, verwittigingen en bedreigingen. De hemelse Boodschapster betreurde het plichtsverzuim van haar volk dat zo weinig onderdanig was, dat God lasterde, de heilige zondag profaneerde, de wet van de onthouding met voeten trad, niet meer bad of nauwelijks nog naar de Mis ging. Op die manier daagde haar volk de goddelijke toorn uit en verzwaarde het de wrekende arm van haar Zoon, die op het punt stond ons te kastijden. Tenzij wij ons gemeend zouden bekeren, stelden wij ons bloot aan alle mogelijke publieke en private rampen…

« Als mijn volk zich niet wil onderwerpen, ben ik gedwongen om de arm van mijn Zoon neer te laten komen. Hij is zo zwaar en drukt zo naar beneden dat ik hem niet meer kan tegenhouden. Al zo lang lijd ik voor jullie ! Als ik wil dat mijn Zoon jullie niet in de steek laat, ben ik verplicht om onophoudelijk voor jullie tot Hem te bidden. En niemand geeft zich daar rekenschap van ! Jullie mogen zoveel bidden en werken als je wil, nooit zullen jullie de moeite die ik voor jullie gedaan heb kunnen herstellen !

« Ik heb jullie zes dagen gegeven om te werken, de zevende heb Ik voor mezelf voorbehouden en die wil men mij niet toestaan. Dat is het wat de arm van mijn Zoon zo zwaar maakt ! De bestuurders van karren kunnen niet vloeken zonder de naam van mijn Zoon daarbij te noemen ! Dat zijn de twee zaken die de arm van mijn Zoon zo zwaar maken.

« Als de oogst mislukt, dan is dat jullie schuld. Ik heb het jullie vorig jaar doen zien met de aardappelen, maar jullie hebben er geen aandacht aan geschonken. Integendeel, als jullie bedorven aardappelen vinden dan vloeken jullie en noemen daarbij de naam van mijn Zoon. De aardappelen zullen verder rotten en met Kerstmis zullen er geen meer zijn. »

Op dat ogenblik keek Mélanie naar Maximin als om hem te vragen wat de woorden van de « mooie Dame » betekenden. Toen zei de H. Maagd tot hen : « Ah ! Jullie begrijpen geen Frans, kinderen : ik zal het anders zeggen. » Daarop hernam ze, in het dialect van Corps, haar laatste woorden : « Als de oogst mislukt… », en het vervolg. Dan ging ze verder in de volkstaal : « Als jullie graan hebben, moeten jullie het niet zaaien. Alles wat jullie zaaien zal door de dieren opgegeten worden, en wat toch opschiet, zal tot stof uiteenvallen wanneer het gedorst wordt. Er zal een grote hongersnood komen. En tevoren zullen de kinderen onder de zeven jaar de stuipen krijgen en sterven in de armen van de volwassenen. De anderen zullen boete doen door de hongersnood. De noten zullen slecht worden en de druiven rotten. »

Na deze woorden sprak de H. Maagd verder, maar Mélanie verstond haar niet meer, al zag ze de lippen bewegen : Maximin ontving een geheim. Daarna vertrouwde de mooie Dame ook aan Mélanie een geheim toe, dat Maximin niet kon verstaan.

Enkele beschouwingen zijn hier noodzakelijk, ten gevolge van het feit dat er jammer genoeg propaganda wordt gevoerd met min of meer recente hersenspinsels die voorwenden de authentieke tekst van het geheim van Mélanie te publiceren, met apocalyptische commentaren.

Gedurende vijf jaar waren de twee herdertjes met betrekking tot de mysterieuze boodschap van een absolute discretie : ondanks alle mogelijke pogingen om iets van hun geheimen los te peuteren of hen op een vertrouwelijk woord te betrappen, bleven zij volkomen onvermurwbaar. In 1851 beslisten ze niettemin om hun geheimen kenbaar te maken aan de Paus, en aan hem alleen. Ze stelden ze dus op schrift, waarna de documenten door twee betrouwbare personen overgemaakt werden aan de H. Vader, die hen in privé-audiëntie ontving op 18 juli 1851. Bij de lectuur van de brieven toonde Pius IX een grote emotie… De dag daarop verklaarde kardinaal Lambruschini [ een vertrouweling van de paus ] dat de H. Vader hem de geheimen van La Salette meegedeeld had. Sindsdien berusten ze in de pauselijke archieven.

De wenende Maagd met de twee herdertjes. Glasraam in de basiliek van La Salette.

Men moet dus alle sensationele publicaties die de zgn. Geheimen van La Salette en de ingebeelde interpretaties ervan te grabbel gooien voor de publieke nieuwsgierigheid als zeer verdacht beschouwen. Het Heilig Officie heeft de verspreiding van dit soort zaken in 1880 veroordeeld.

Het is veel beter zich te houden aan het Feit zelf en aan de publieke Boodschap. De H. Maagd ging inderdaad verder met haar toespraak, waarbij ze door de beide kinderen gehoord werd : « Als ze zich bekeren, zullen de stenen en de rotsen veranderen in stapels graan en zullen de aardappelen zichzelf planten. »

« Bidden jullie goed, kinderen ? », vroeg de Dame hen vervolgens. De herdertjes antwoordden : « Niet zoveel, Mevrouw. » – « Ach, kinderen, jullie moeten ’s avonds en ’s morgens bidden. Als jullie niet beter kunnen, zeg dan minstens een Onzevader en een Weesgegroet. En als jullie de tijd hebben, moeten jullie er meer opzeggen.

« Er gaan slechts enkele oudere vrouwen naar de mis ; de anderen werken heel de zomer lang ook op zondag, en als zij in de winter niet weten wat doen, gaan ze enkel naar de mis om met de godsdienst te spotten. En in de Vasten lopen ze naar de slager als honden ! »

En verder : « Hebben jullie nooit bedorven graan gezien, kinderen ? » Allebei antwoordden ze : « Neen, Mevrouw. » Daarop sprak zij tot Maximin : « Maar jij, kleine, moet dat toch ooit een keer gezien hebben, met je vader, in de buurt van Coin. De eigenaar zei tegen je vader : “ Ga kijken hoe mijn graan bederft. ” Jullie zijn er met zijn tweeën naartoe gegaan. Je vader nam twee of drie aren in zijn hand, wreef er over en alles werd tot stof. Toen jullie terugkeerden en nog slechts een halfuurtje van Corps verwijderd waren, gaf je vader jou een stuk brood en zei : “ Hier, kind, eet nog wat brood dit jaar, want ik weet niet wie er volgend jaar nog zal kunnen eten als het graan zo verder bederft.  » En Maximin antwoordde : « Dat is waar, Mevrouw, ik was het vergeten. »

De H. Maagd besloot haar toespraak met volgende, in het Frans uitgesproken woorden : « Wel, kinderen, jullie moeten mijn woorden doorgeven aan heel mijn volk. » Daarop liet ze de herderskinderen achter, stak de bergrivier de Sézia over en zei een tweede keer, zonder zich om te draaien : « Dus, kinderen, jullie moeten mijn woorden doorgeven aan heel mijn volk. »

Daarop begaf ze zich naar het plateau, van waarop ze opsteeg boven de aarde om vervolgens terug te keren naar de serene hoogten van het uitspansel en het Paradijs… En plots begon het water van de “ kleine fontein ” opnieuw te stromen !

Aan het eind van de namiddag, toen de zon begon onder te gaan, haastten Maximin en Mélanie zich met hun kudden terug naar het gehucht Les Ablandins, waar ze hun meesters alles vertelden wat ze op de berg gezien en gehoord hadden.

En het verhaal dat de herdertjes op de dag zelf van 19 september 1846 gedaan hebben, dat zijn ze sindsdien onveranderlijk blijven herhalen, zowel tegenover een ontelbare menigte bedevaarders als tegenover de burgerlijke en religieuze gezagsdragers.

« Ik bevestig », schreef Mélanie op 4 november 1850, « om getuigenis af te leggen aan de Waarheid en tot meerdere eer en glorie van God en van de H. Maagd, dat ik de waarheid omtrent de Gebeurtenis van La Salette op 19 september 1846 altijd gezegd heb en altijd zal zeggen, zonder er variaties in aan te brengen. Als ik een eed zou moeten afleggen op wat ik toen gezien en gehoord heb, zou ik dat doen zonder angst God te beledigen en meineed te plegen. » Tot aan haar dood op 15 december 1904 heeft zij haar oorspronkelijk relaas integraal staande gehouden.

Op dezelfde manier stelde Maximin op 14 april 1847 volgende nota op : « Ik verklaar vóór God dat ik op de berg van Dorcières de H. Maagd gezien heb, even schitterend als de zon. » In zijn testament herhaalde hij : « Na mijn dood mag niemand komen verzekeren of zeggen dat hij mij heeft horen terugkomen op de grote Gebeurtenis van La Salette ; want wie zo zou liegen tegenover de hele wereld die zou tegen zichzelf liegen. » Alvorens te sterven – op 1 maart 1875 – wou hij nog plechtig zijn geloofsbelijdenis hernieuwen. De priester had het heilig viaticum gebracht en er waren ook verschillende mannen uit de buurt aanwezig die de stervende had laten roepen. Toen sprak hij met een laatste krachtinspanning : « Ik neem mijn God die ik ga ontvangen tot getuige, mijn God die mijn Rechter zal zijn, dat ik nooit gelogen heb over de Verschijning van La Salette. Ik heb ze verhaald zoals ik ze gezien en gehoord heb. Ik zweer het op mijn zielenheil ! »

Toen hij weet had van de aanvallen gericht tegen de Verschijning, zei hij begin 1851 : « Het mirakel van La Salette is een bloem die men nu door het slijk haalt, maar die vruch-ten zal dragen in de herfst en weer zal bloeien in de lente. »

Dezelfde overtuiging bij Mélanie : « Heb je horen spreken », zo vroeg men haar in 1854, « over alle leugens die de vijanden van La Salette op dit ogenblik tegen de Verschijning verspreiden ? » – « Bah ! Ze kunnen doen wat ze willen, La Salette zal altijd triomferen ! »

Als er onder onze lezers personen zouden zijn die jammer genoeg toch enige twijfel koesteren, net zoals de pastoor van Ars ook zelf heeft gehad, dan hopen wij dat zij weldra tot hetzelfde besluit zullen komen als hij, toen hij beter ingelicht was en overgelukkig tenslotte de troostende waarheid te kennen : « Nu zou het me niet meer mogelijk zijn niet te geloven in La Salette. Ik heb tekenen gevraagd om in La Salette te geloven, en ik heb ze verkregen : men kan en moet geloven in La Salette ! »

HET KATHOLIEKE LA SALETTE
IN ZIJN VOLK, ZIJN HEILIGEN EN ZIJN HIËRARCHIE

Men kan zich nauwelijks een eenvoudiger mysterie voorstellen dan dat van La Salette. Eén enkele Verschijning, op 19 september 1846, aan twee herdertjes, een korte boodschap die zij onthouden zonder enige vergetelheid, deels in het Frans (dat zij beluisteren en in hun geheugen opslaan zonder er iets van te begrijpen) en deels in het dialect. De boodschap is bestemd voor de hele wereld : « Jullie moeten ze doorgeven aan heel mijn volk. » Toch onderbrak de mooie Dame haar toespraak om aan beide kinderen een geheim mee te delen, ieder het zijne dat de ander niet te weten zal komen, geheimen die Maximin en Mélanie vijf jaar lang niet zullen bekendmaken, ondanks de talrijke insinuerende of ronduit brutale pogingen om hen zover te krijgen. En daarop steeg de H. Maagd – want zij was het, vermits ze over Jezus spreekt als over haar Zoon – op naar de Hemel, waarbij ze haar blik naar Rome keerde (zoals Mélanie zag en later begreep). Nadien zou het gebeuren zich niet meer herhalen, en de Hemel zou geen enkele verduidelijking meer geven over deze gebeurtenis, die bijgevolg voldoende had aan zichzelf.

DE GODDELIJKE ORTHODROMIE

Om ons een idee te geven van het effect dat deze Verschijning onmiddellijk op het brave katholieke volk van Frankrijk had, haal ik graag het getuigenis aan van de grote kardinaal de Cabrières, aartsbisschop van Montpellier, omdat het zo ontroerend is.

Hier gaat het nog om de adolescent die het geluk heeft geïnformeerd te worden over de gebeurtenis ; later zal het de eerbiedwaardige en heilige aartsbisschop van Montpellier zijn die de emotie en de zekerheid van zijn jeugdjaren bevestigt.

« Het is op dat ogenblik – september 1846 – dat in onze familiekring het gerucht van de mysterieuze gebeurtenissen van La Salette doordringt. Moet ik zeggen met welke vrome aandrang mijn moeder, mijn zus en onze twee nichtjes een dergelijk nieuws onthaalden ? Ze herinnerden zich de Verschijning van de Allerheiligste Maagd in de kapel van de Dochters van Liefde in Parijs, in 1830 [in de rue du Bac] ; en al was het hen bijzonder aangenaam te vernemen dat de Moeder Gods zestien jaar later opnieuw de bewijzen van haar bezorgdheid wou overbrengen aan haar uitverkoren volk, toch vroegen ze zich af of deze recente gebeurtenis ook niet een of andere dreigende crisis voor de rust van het land aankondigde – een crisis waarvoor de Maagd Maria al op voorhand de remedie van haar machtige tussenkomst beloofde » (Louis Bassette, Le Fait de la Salette (1846-1854), Parijs 1955, p. 30).

Het heiligdom van La Salette ligt op een majestueuze plek in de Franse Alpen, in de streek Dauphiné. De eerste steen werd gezegend in 1852 door Mgr. de Bruillard, en de voltooide basiliek werd ingewijd in 1879. Op de berg achteraan verheft zich een groot kruis met aan de uiteinden een hamer en een trektang, zoals Maximin en Mélanie het in het klein zagen op de borst van de H. Maagd.

Inderdaad stootte de familie de Cabrières meteen tot de essentie door toen ze het gebeuren van 1846 verbond met de verschijningen van de Allerheiligste Maagd in de rue du Bac in Parijs in 1830, en de nieuwe verwittiging interpreteerde als de aankondiging van een nieuwe straf – het revolutiejaar 1848 zou hetzelfde volksoproer te zien geven als het jaar 1830, toen in Frankrijk de laatste koning van goddelijk recht, Karel X, van de troon gestoten werd – maar ook van een nieuw erbarmen. De “ orthodromie ” of goddelijke “ rechtlijnigheid ” in de opeenvolging van de grote verschijningen van de Maagd Maria in het Frankrijk van de negentiende eeuw zal deze les bevestigen, altijd in twee delen : enerzijds terechtwijzing en dreiging met straffen, anderzijds beloften van vergiffenis en wedergeboorte…

EEN BOODSCHAP DIE BEKEERT

Niets eenvoudiger of toegankelijker dan deze boodschap die door Onze-Lieve-Vrouw gericht wordt tot het volk en de geestelijkheid van die tijd en in die arme en teruggetrokken streken. Deze perfect aangepaste “ pastoraal ” werd onmiddellijk begrepen en droeg verbazingwekkende vruchten van bekering.

Al op 20 september riep de pastoor van La Salette uit : « Ach, kinderen, wat zijn jullie gelukkig ! Jullie hebben de H. Maagd gezien ! Ik heb mijn parochianen nog zo gezegd dat ze ’s zondags niet mochten werken ! Wat zal er van ons worden ? » En nog dezelfde dag sprak hij erover in zijn preek ; hij was zo ontroerd dat niemand er op dat moment veel van begreep, maar zijn kudde was de eerste om Onze-Lieve-Vrouw te gehoorzamen toen zij kort daarna begreep welke straffen er aangekondigd werden en hoe het erbarmen van God kon verkregen worden (cf. P. Laurent, Marie V, 1, p. 26).

De feiten zijn overtuigender dan honderd redevoeringen… De wagenmaker Giraud, de vader van Maximin, was in godsdienstzaken onverschillig maar toch niet goddeloos. Op een dag, het was de eerste vrijdag na de Verschijning, de 25ste september, was hij zo geïrriteerd door alles wat men over zijn zoon vertelde dat hij hem wou beletten in het publiek zijn verhaal te doen. Hij sloeg Maximin zelfs, maar de jongen zei hem in tranen : « Maar vader, de Dame heeft ook over u gesproken. » – « Over mij ? En wat heeft ze over mij gezegd ? » Daarop vertelde zijn zoon hem de episode die zich in Coin had afgespeeld. Vader Giraud was stomverbaasd : hij wist heel zeker dat hij dat feit, waarbij geen getuigen aanwezig waren, aan niemand anders verteld had. « Ha zo, heeft ze dat aan jou verteld ? Dat is wel iets buitengewoons… Wel, ik zal ook naar boven trekken en de zaak onderzoeken. Ik heb last van astma ; als het werkelijk de H. Maagd is die aan jou verschenen is en als ze mij wil genezen, dan zal ik in haar Verschijning geloven, en dan beloof ik dat ik mij zal bekeren. » Nadat hij van de miraculeuze bron gedronken had, was hij ogenblikkeljk genezen. Daarop ging hij naar de kerk ; het was twintig jaar geleden dat hij voor de laatste keer gebiecht had ! Van dan af leefde hij tot aan het einde van zijn dagen als een goede christen (aangehaald in Giray, Lesmiracles de La Salette, p. 235).

Het grote nabijgelegen dorp Corps bekeerde zich ook, als in één blok ; het zag af van elke godsdienstige onverschilligheid, vond de weg terug naar de Kerk en de praktijk van de sacramenten en wekte zo de geestdrift op van de clerus van Grenoble. De pastoor van Corps, die een interdict opgelopen had wegens zijn schandalige levenshouding, kreeg spijt en verzoende zich op een heel stichtende wijze met de Kerk, door de genade van Onze-Lieve-Vrouw van La Salette (Bassette, pp. 286-287).

De tranen van de hemelse Koningin en de waarschuwingen van haar moederlijk Hart slaagden erin de harten te raken. Maar haar ernstige woorden troffen de geesten nog meer toen ze in de maanden na de Verschijning begonnen bewaarheid te worden, zodat de lach bevroor op de lippen van al degenen die de spot dreven met de “ Boerenmadonna ”. Het jaar 1847 was een jaar van hongersnood, dat meer dan honderdduizend slachtoffers eiste in Frankrijk en bijna een miljoen in Europa. Met Kerstmis waren er geen aardappelen meer, zoals de H. Maagd voorspeld had. Precies op datzelfde moment verscheen de druifluis (phylloxera), die de wijngaarden verwoestte. Voor noten – en men weet hoe belangrijk die zijn in de Dauphiné – betaalde men ongelooflijke prijzen, want er waren er geen meer. Alsof dat nog niet volstond, brak een epidemie uit die de kleinste kinderen, getroffen door de stuipen, decimeerde, en werd Frankrijk tweemaal getroffen door een verwoestende choleraplaag : naar het zeggen van ooggetuigen was één op drie personen die in 1856 naar La Salette op bedevaart trok in de rouw.

HET ENTHOUSIASME VAN DE HEILIGEN

Het is belangrijk om het feit te onderstrepen : heel de streek zette zich in beweging, niet alleen fysiek door de bedevaart naar de plaats zelf van de Verschijning te ondernemen, maar ook moreel door een zedelijke bekering in de lijn van de vermaningen van de « mooie Dame ». Het was in Frankrijk sinds de Revolutie van 1789 ook de eerste keer dat ontelbare pelgrims toestroomden zonder dat de geestelijkheid zich al uitgesproken had. De bedevaart van de eerste verjaardag was indrukwekkend : honderdduizend pelgrims onder een verschrikkelijke stortregen. De verhalen die er over gepubliceerd worden, slaan heel Frankrijk met verstomming.

Enkele dagen na die gedenkwaardige eerste verjaardag van de Verschijning schreef E.H. Gérin, deken van de kathedraal van Grenoble, het relaas ervan aan zijn vriend abbé des Genettes, de pastoor van Notre-Dame des Victoires in Parijs : « Ik ben op 19 september de berg van La Salette opgegaan, het is een van de mooiste dagen van mijn leven geweest. De weg was er vreselijk aan toe ten gevolge van de regen de dag tevoren, en dan spreek ik nog niet over de natuurlijke ruigheid ervan. Toen we tenslotte op de heilige berg aankwamen, zagen we tot onze verrassing een echt kamp van Israël, groepen van overal vandaan naast hun rijdieren. Nooit heb ik een dergelijk spektakel gezien… » (Bassette p. 82).

Er vinden mirakels plaats, veel zelfs, en van alle soorten. Eén ervan, de genezing van Marguerite Guillot, gebeurt onder de ogen van de toekomstige H. Julien Eymard, de apostel van de Eucharistie, op 8 september 1848. De genezen vrouw werd later medestichteres van de Dienaressen van het H. Sacrament. Pater Eymard van zijn kant hing met heel zijn geloof en voor altijd La Salette aan. Een andere heilige kwam enkele jaren later naar de plaats van de Verschijning : Don Bosco, die zich vanaf het begin verheugd had over het feit dat de Maagd Maria als vertrouwelingen twee arme kinderen gekozen had die slechts het dialect van de bergen spraken, naar het beeld van de jongeren aan wie hij op ingeving van de Hemel zijn leven en zijn werk wijdde. Don Bosco werd onmiddellijk de apostel en propagandist van de Boodschap van La Salette.

HET ONDERZOEK DOOR DE KERK

Ten overstaan van zo’n toevloed aan bedevaarders en zo’n overvloed aan genaden kwam het de Kerk toe om een uitspraak te doen over de waarheid van het feit van La Salette in zijn drie bestanddelen : de Verschijning op zich, de publieke boodschap en de geheimen meegedeeld aan elk van beide kinderen. Louis Bassette heeft in het reeds vermelde werk « Het feit van La Salette » op definitieve wijze aangetoond dat de Kerk haar opdracht perfect vervuld heeft, met wijsheid, voorzichtigheid en discretie, en dat haar overtuiging sindsdien berust op een onwrikbare basis.

In oktober 1846 worden Maximin en Mélanie ondervraagd door verschillende kerkelijke personen, die vervolgens rapporten richten aan de bisschop van Grenoble, Mgr. de Bruillard. Deze benoemt kort daarop een officiële onderzoeker, pater Rousselot, zijn vicaris-generaal en een van de beste theologen van het bisdom. Pater Rousselot komt in de loop van zijn onderzoek van onzekerheid tot geloof : hij zal een van de meest toegewijde en pientere verdedigers van La Salette worden. Voor het ogenblik beperkt hij er zich toe vast te stellen dat er onderlinge overeenstemming is tussen de ondervragingen, dat de beschrijvingen waarachtig zijn (omdat de kinderen niet in staat blijken te zijn om te bedriegen of bedrogen te worden) en dat de feiten niet kunnen herleid worden tot alleen maar natuurlijke krachten.

De antiklerikale pers trekt ondertussen alle registers open, wat de bisschop niet belet om in november 1847 een onderzoekscommissie te installeren ; hij draagt er zorg voor daarin enkele tegenstanders binnen de clerus van zijn diocees te benoemen. Pater Rousselet wordt aangeduid als rapporteur. Zijn antwoorden op de twaalf tegenwerpingen tegen de waarachtigheid van de Verschijning (cf. Bassette pp. 135-147) verkrijgen de haast algemene instemming van zijn confraters, en zijn rapport met de titel « De Waarheid over het gebeuren van La Salette » wordt in augustus 1848 toegezonden aan paus Pius IX. De H. Vader vindt de tijd om er op te antwoorden, op 20 september, terwijl in Rome de revolutie suddert die hem kort daarop tot ballingschap zal dwingen : « Het is ons bijzonder aangenaam geweest te vernemen wat u vertelt over de grote toeloop van bedevaarders die van overal naar die plaats trekken om er de Allerheiligste Maagd Maria te vereren, en in het bijzonder te weten dat deze pelgrims daar de almachtige bescherming en hulp van de Moeder Gods afsmeken voor onze nederige persoon. Daarom is het ons grootste verlangen dat het volk waarover u spreekt ervan ingelicht wordt dat wij het onze apostolische zegen schenken. »

Mgr. de Bruillard had vanaf dat ogenblik zijn oordeel kunnen uitspreken, wat in zijn macht lag en wat hij ook vurig verlangde, maar het werd hem verhinderd door de vreemde manoeuvres van zijn metropoliet in Lyon, kardinaal de Bonald, die zelfs zo ver ging dat hij de tegenstanders van de echtheid van de Verschijning binnen de geestelijkheid van Grenoble steunde. Het is niet prettig het verhaal daarvan in Bassette (pp. 148 e.v. ) te lezen, maar deze dingen zijn ons niet vreemd : La Salette was vanaf het begin teken van tegenspraak, niet alleen vanwege de vijanden van buitenaf maar ook in de schoot zelf van de clerus – zoals Fatima 70 jaar later.

Bovenop deze ingehouden en kwaadwillige tegenstand kwam dan nog het zgn. “ incident van Ars ”. Op 24 en 25 september 1850 verbleef Maximin in Ars, waar hij de heilige pastoor ontmoette. Abbé Jean-Baptiste Vianney was La Salette tot dan zeer gunstig gezind ; hij preekte de Boodschap, deelde medailles uit en spoorde zijn boetelingen aan op bedevaart te gaan naar de heilige berg. Maar na de ontmoeting met Maximin was hij op een pijnlijke manier terughoudend. Pas acht jaar later knoopte hij terug aan bij zijn oorspronkelijke overtuiging, nadat hij van de Hemel drie tekenen gekregen had die hij gevraagd had om van de kwellende twijfel verlost te worden. Mgr. Devie, de bisschop van Belley, zei over dit incident : « Wat in Ars is gebeurd, is slechts een beproeving en een storm die door de duivel opgewekt is. Het feit van La Salette zal er stralender uit te voorschijn komen. »

DE GEHEIMEN WORDEN OVERGEMAAKT
AAN DE PAUS

De nieuwsgierigheid van het publiek en de belangstelling van de geestelijkheid concentreerden zich al snel op de twee fameuze geheimen. Met alle mogelijke middelen probeerde men die aan de kinderen te ontfutselen, maar de herdertjes gaven blijk van een onwrikbare standvastigheid en weigerden ze aan iemand te verklappen. Ze herhaalden telkens opnieuw : « De Dame heeft ons verboden het te zeggen. » En toen men aan Maximin vroeg wat hij zou doen als hij moest kiezen tussen het geheim meedelen of sterven, antwoordde hij vastbesloten : « Dan zou ik sterven… Ik zou het niet verklappen. »

Toen kardinaal de Bonald op zijn beurt de geheimen wilde kennen, in maart 1851, argumenteerde hij dat zijn rol van “ raadgever van de paus ” hem er recht op gaf, zodat hij « ze zou kunnen overmaken aan Zijne Heiligheid » die dan in deze netelige kwestie eindelijk de knoop zou doorhakken.

De valstrik was laag bij de gronds, en toch scheelde het maar een haar of de kardinaal had zijn doel bereikt. De zienertjes schreven hun tekst los van elkaar op, Maximin op 2 juli en Mélanie op 6 juli. Maar het meisje verzette er zich formeel tegen dat haar geheim door iemand anders dan haar eigen bisschop aan de paus zou overgemaakt worden. Mgr. de Bruillard verzegelde dus zelf de twee omslagen, na de inhoud ervan gelezen te hebben, waarna zijn twee afgezanten (pater Rousselot en pastoor Gérin) ze op 18 juli persoonlijk overhandigden aan paus Pius IX. Het verloop van de audiëntie is ons bekend door een brief van pater Rousselot aan zijn bisschop :

« Zijne Heiligheid verbrak in onze aanwezigheid de zegels van de brieven en las ze. Bij die van Maximin gaf de H. Vader volgend commentaar : “ Dit getuigt van de onschuld en de eenvoud van een kind. ”Wij antwoordden dat de kinderen in de bergen woonden en dat ze sedert enkele maanden in opvoedingstehuizen verbleven.

« Om de brieven beter te kunnen lezen stond Zijne Heiligheid op en ging dichter bij het venster staan, waarvan hij een luik opende. Wij volgden hem. Na lezing van de brief van Mélanie zei de H. Vader ons : “ Ik moet deze brief met een rustig hoofd herlezen. ” Tijdens de lectuur van de bewuste brief was er een zekere emotie te zien op de wangen van de Paus. Zijn lippen trokken samen en zijn wangen zwollen lichtjes op.

« De H. Vader zei ons : “ Frankrijk wordt door rampen bedreigd. Uw land is niet alleen schuldig. Duitsland, Italië en heel Europa zijn schuldig en verdienen straffen. Ik heb minder te vrezen van Proudhon 1 dan van de religieuze onverschilligheid en het menselijk opzicht. Uw soldaten 2 knielen als ze me zien, maar enkel na eerst links en rechts gekeken te hebben of niemand hen in de gaten heeft. Het is niet zonder reden dat men over de strijdende Kerk spreekt, en dat u hier de Kapitein ziet [waarbij hij zijn rechterhand op zijn borst legde]… Ik heb uw boek doen onderzoeken door de promotor van het geloof Mgr. Frattini, en hij heeft me gezegd dat het een goed boek was, dat hij er tevreden over was, dat het de waarheid uitademde. ”

« De dag daarop zagen wij Zijne Eminentie kardinaal Fornari, aan wie ik eerbiedigmijn geschriften over La Salette aanbood. De kardinaal had kennis genomenvan de feiten tijdens zijn nuntiatuur in Frankrijk. Hij zei ons dat hij mijn werk met genoegen zou lezen.“ Voor het overige ”, voegde hij eraan toe, “ ben ik beangstigd door dergelijke voortekenen. Wij hebben in de godsdienst alles wat noodzakelijk is voor de bekering van de zondaars. Wanneer de Hemel dergelijke middelen aanwendt, betekent dit dat het kwaad ernstig is.  »

In zijn persoonlijk verslag voegde pastoor Gérin deze hoogst belangrijke precisering toe : « Op basis van het weinige dat van de geheimen tot ons doorgedrongen is gelooft men dat Maximin het medelijden of het herstel van alle dingen aankondigt en dat Mélanie de verkondigster is van grote straffen » (Bassette p. 229).

Pius IX moedigde de bisschop van Grenoble aan om de bovennatuurlijke feiten van La Salette te erkennen in zijn hoedanigheid van ordinarius van de plaats. De Kerk zou zich eindelijk uitspreken bij monde van haar gezagsdragers.

DE OFFICIËLE ERKENNING

Mgr. de Bruillard liet zich niet aanporren om te vervullen wat hij als een heilige plicht beschouwde. Op 19 september 1851 publiceerde hij een mandement voor de vijfde verjaardag van de Verschijning, waarin hij bevestigde dat zij « in zichzelf alle karaktertrekken van de waarheid vertoont en dat de gelovigen gerechtigd zijn haar als onbetwijfelbaar en vaststaand te beschouwen » (art. 1). « Daarom, om aan God en aan de glorierijke Maagd Maria onze levendige erkentelijkheid te betonen, staan wij de cultus van Onze-Lieve-Vrouw van La Salette toe. Wij geven de toelating om deze cultus te prediken en de praktische en morele gevolgen te trekken die uit deze grote Gebeurtenis voortvloeien » (art. 3). « Wij verbieden uitdrukkelijk aan de gelovigen en de priesters van ons bisdom om publiekelijk, in gesproken of geschreven woord, stelling te nemen tégen het Feit dat wij vandaag proclameren, en dat bijgevolg het respect van iedereen vereist » (art. 5).

En hij besloot : « Wij drukken jullie op het hart, zeer geliefde broeders, in het licht van jullie hemelse maar ook jullie aardse belangen, om op een ernstige wijze tot inkeer te komen en boete te doen voor jullie zonden, in het bijzonder diegene begaan tegen het tweede en derde gebod van God. Wij drukken het jullie op het hart : wees gehoorzaam aan de stem van Maria, die jullie oproept tot boete en die jullie vanwege haar Zoon bedreigt met geestelijke en tijdelijke rampen wanneer jullie ongevoelig blijven voor haar moederlijke verwittigingen en jullie harten verharden. »

Een jaar later, op 1 mei 1852, kondigde de bisschop in een nieuw mandement de oprichting aan van een heiligdom op de berg van de Verschijning en de instelling van de missionarissen van Onze-Lieve-Vrouw van La Salette om het heiligdom te bedienen. De prelaat gaf uiting aan zijn vreugde en zijn dankbaarheid jegens « Haar die vanuit de Hemel naar onze bergen gekomen is om er in zekere zin een teken van verzoening en heil te planten, een stralende vuurtoren, een bronzen slang waarnaar de vrome zielen hun ogen gericht houden om de goddelijke toorn af te wenden en ons te genezen van ongeneeslijke wonden ! »

Kort daarop, op 25 mei, wou Mgr. de Bruillard ondanks zijn hoge leeftijd – hij was 86 jaar ! – absoluut te paard de beklimming van zijn “ geliefde berg ” ondernemen om er de eerste steen van het toekomstige heiligdom te wijden. Hoewel het onafgebroken regende trokken hele parochies in lange processies naar boven. Het was het Nunc dimittis van de vrome bisschop, die kort daarna zijn ontslag aanbood.

DE GOEDKEURING BEVESTIGD

Het kwam de nieuwe bisschop van Grenoble, Mgr. Ginoulhiac, toe om het werk van zijn voorganger te consolideren. Maar dat ging niet rimpelloos, want de oppositie had opnieuw de kop opgestoken. Gebruik makend van de liberale instelling van de nieuwe prelaat begonnen de tegenstanders artikels en schandalige pamfletten tegen La Salette in steeds grotere aantallen te verspreiden. Een verloren gelopen priester beweerde zelfs dat hij een zekere juffrouw de Lamerlière op het spoor gekomen was die zich op de berg voor de H. Maagd had laten doorgaan ! Paus Pius IX maande Mgr. Ginoulhiac daarop aan tussenbeide te komen.

De bisschop nam het dossier dus terug ter hand, bestudeerde het zeer gewetensvol en maakte op 4 november 1854 een mandement bekend. Daarin hernieuwde hij op de meest uitdrukkelijke manier, en deze keer definitief, het leerstellig oordeel van zijn voorganger. Een maand later ging de bisschop naar Rome om er op 8 december de afkondiging van het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis te aanhoren, dat de Onbevlekte zelf vier jaar later op schitterende wijze zou bevestigen in Lourdes. Zo ontrolde zich van de ene berg naar de andere de onbreekbare draad van de mariale orthodromie.

In La Salette zou de Kerk haar werk op onberispelijke wijze voortzetten. De bedevaarten, ondersteund door alle bisschoppen van Grenoble zonder uitzondering, zouden niet meer ophouden. De missionarissen van Onze-Lieve-Vrouw van La Salette namen de verspreiding van de devotie tot « Maria tweede Middelares van de mensheid » (Mgr. Ginoulhiac) ter harte : de almachtige en smekende Maagd die de straffen van Gods toorn afwendt van de zondige mensheid, op voorwaarde van op haar oproep te antwoorden en haar te gehoorzamen… Wat de zienertjes betreft, verklaarde Mgr. Ginoulhiac op 19 september 1855 : « De zending van de herderskinderen is afgelopen, die van de Kerk begint. Zij kunnen zich verwijderen, in de wereld verdwijnen, ontrouw worden aan de grote genade die zij ontvangen hebben, maar de verschijning van Maria zal er niet door aan het wankelen gebracht worden ; want zij is een vaststaand feit, en niets dat later nog gebeurt kan er met terugwerkende kracht invloed op hebben. »

EEN OPENBARING IN DE STIJL VAN HET OUDE TESTAMENT

Het meest controversiële onderdeel van de Verschijning van 19 september 1846 wordt natuurlijk gevormd door de geheimen die Onze-Lieve-Vrouw toevertrouwde aan haar twee boodschappers Maximin en Mélanie. Samen met Fatima is La Salette de enige door de Kerk erkende verschijning die een verborgen, profetisch, apocalyptisch verlengstuk heeft. Toen E.P. Giraud, generaal overste van de missionarissen van La Salette, de paus op een dag vroeg naar de inhoud van de geheimen van 1846, kreeg hij van Pius IX dit antwoord : « U wil de geheimen van La Salette kennen ? Wel, het gaat om het volgende :  Als jullie geen boete doen, zullen jullie allemaal omkomen !  » (geciteerd in Max Le Hidec, Les Secrets de la Salette, 1969, p. 67).

Alvorens de kritische studie van de levens van de zieners en hun respectievelijke Geheimen te ondernemen, moeten we eerst terugkomen op het relaas zelf van de Verschijning.

In dat relaas komen veel verrassende elementen voor. De H. Maagd komt naar de kinderen toe en kondigt hen aan dat zij hen groot nieuws wil bekend maken : « Kom dichterbij, kinderen, wees niet bang. Ik ben hier om jullie groot nieuws te vertellen. » Wat is dan dat « grote nieuws » waarvoor zij uit de Hemel is neergedaald naar die plaats ?

Wanneer men dit tafereel beschouwt, met de gedachte er de verafbeelding van iets in te zoeken, dan denkt men onwillekeurig aan Adam en Eva in hun oorspronkelijke onschuld. Zij zijn helemaal alleen daar op die verlaten berg, ver van de beschaving, en er is God : « Zij hoorden Jahweh God in de koelte van de middag in de tuin wandelen… » (Gn 3, 8). Het komt niet helemaal overeen, maar toch… De kinderen zeiden dat ze deze “ stem uit het paradijs ” nooit vergeten zijn. Ze hebben ook een “ paradijsje ” gebouwd, en het versierd met alpenbloemen. De H. Maagd is er op gaan zitten, zij zetelt op hun paradijs, maar wel om te wenen… wegens de ondankbaarheid en de zonde van haar kinderen, die in dezelfde fouten vervallen als hun stamouders.

Of nog : de berg van La Salette is als de berg Sinaï, waar Jahweh zijn Wet aan Mozes gaf. Waarom het zo ver gaan zoeken ? Omdat de Wet die de Maagd Maria op de berg in de Alpen in herinnering brengt, puur joods is. Het is de Wet van het Oude Testament. Toch ben ik bij de lectuur van het relaas vooral getroffen door het gebruik van de eerste persoon enkelvoud : « Ik heb jullie zes dagen gegeven om te werken, de zevende heb Ik voor mezelf voorbehouden en die wil men mij niet toestaan. » Eigenaardig toch ? Het is de letterlijke herneming van een vers uit het boek Exodus (31, 15). De Maagd Maria neemt dus de plaats van God in, zij troont en vaardigt regels uit, waarbij ze de Wet van God voor haar eigen rekening neemt alsof het háár Wet is. Dat is werkelijk de eerste keer in de verschijningen van Onze-Lieve-Vrouw, en de laatste ! In Fatima zal zij uitleggen dat het de wil van God is dat zij eerst komt en dat alles aan haar onderworpen is.

Hier in La Salette wordt de Naam van God, van onze geliefde hemelse Vader, niet genoemd. Het gaat om Haar en om… haar Zoon, die door de verrukte kinderen aanschouwd wordt als een levend kruisbeeld, als het ware “ ingelegd in haar borst ”, en dat de bron lijkt te zijn van het glorievolle licht dat haar omgeeft. Het is « de Naam van mijn Zoon » die belasterd wordt, het is « de arm van mijn Zoon » die verzwaart en het is « mijn Zoon tot wie ik onafgebroken moet bidden voor jullie ». Het volk van God is háár volk geworden, zij heeft het in erfenis gekregen : « Als mijn volk zich niet wil onderwerpen… Jullie moeten mijn woorden doorgeven aan heel mijn volk. » En een laatste evocatie van het boek Exodus : de bron die de zgn. kleine fontein van water voorzag, begon terug te stromen, wat ons herinnert aan het water dat in de woestijn uit de rots sprong.

In het boek Deuteronomium profeteert Mozes dat het volk de geboden van zijn God niet zal volgen ; hij kondigt vervolgens straffen aan, maar ook – als het volk spijt betoont – schitterende beloningen. Dat is de moraal van het Oude Verbond, streng maar rechtvaardig en heilig, die hier hernomen wordt door de Maagd Maria, met ontstellende tijdelijke straffen : « de aardappelen en de druiven die rotten, het graan dat tot stof verpulvert, de hongersnood die daar het gevolg van is, de verschrikkelijke dood van de kleine kinderen… »Het is alsof we de beeldrijke taal van de profeet Amos horen, of de verscheurende weeklachten van Jeremias : « Jeruzalem, Jeruzalem, bekeer u tot de Heer uw God ! » Met als bijkomend argument de tranen van een moeder… Eenzelfde bijbelse taal voor de belofte (volledig voorwaardelijk : « Als ze zich bekeren… ») van messiaanse oogsten : « De stenen en de rotsen zullen veranderen in stapels graan, en de aardappelen zullen zichzelf planten ».

De H. Maagd eist vervolgens van de kinderen dat ze goed bidden. Ze klaagt over het feit dat er in de zomer haast niemand naar de mis gaat, en in de winter maar weinig gelovigen. Tenslotte wordt de onthouding niet meer gerespecteerd : « Zij lopen naar de slager als honden ! »Dat doet ons denken aan de voorschriften van de Wet die door de Joden in het Oude Testament nauwgezet moesten nageleefd worden. Is de Maagd Maria dan enkel uit de Hemel neergedaald om ons daaraan te herinneren ?

Het antwoord is ja : zij is de Dienstmaagd van de Heer en zij is bereid tot de zware noodwendigheden van de dienst die haar opgedragen is : vermaningen tot haar volk richten, het door bedreigingen en beloften oproepen tot bekering, tot boete, tot gehoorzaamheid aan de wet van God en van de Kerk – en om te beginnen tot de eerbied die aan zijn Naam verschuldigd is en tot de heiliging van de dag die Hem toebehoort. Zij weet dat de rest zal volgen… Dat was de godsdienst van onze voorouders, nederig maar krachtig, die door de Hemel aanbevolen werd en die nooit zal veranderen.

Maar in het plan van God is La Salette ook de verwachting van een andere genade, uniek, schitterend en goddelijk : de verschijning van de Onbevlekte Ontvangenis en het geschenk van haar Hart, eerst in Lourdes, daarna in Fatima. De Verschijning van de Maagd van La Salette is in vergelijking daarmee de voorafbeelding, de schaduw van het Oude Testament vóór het licht van het Nieuwe Verbond.

Wat de zieners betreft, ook zij zullen hun zending volbrengen : de boodschap van de mooie Dame bekend maken aan heel haar volk. Maar daardoor zullen zij nog geen heiligen worden, en het is dat wat zo verbazend is aan La Salette ! Het is pater Rousselot die mij in dit mysterie inzicht heeft gegeven door het subtiele theologisch onderscheid dat hij maakte : « Er is “ gratia gratis data ” geweest waarvan de kinderen de werktuigen waren », “ genade die zomaar geschonken werd ” om de zienertjes in staat te stellen hun zending te vervullen, « maar er is geen “ gratia gratum faciens ” geweest », geen “ heiligmakende genade ”, een gave die hen innerlijk volkomen zou veranderd hebben (cf. Bassette p. 399). Bekijken we het authentieke portret van beide kinderen [zie p. 5]. Zij werden uit hun haast onbeschaafde toestand gehaald om de boodschappers te zijn van de Hemelse Koningin ! Zoals Adam en Eva leidden zij nadien een miserabel leven, waarbij ze hun gebreken behielden en onderworpen waren aan verleidingen, aan zonden zelfs… De H. Maagd heeft het toegestaan, heeft het gewild. Met welke bedoeling ? Dat zullen we beter begrijpen wanneer we het leven van zowel Maximin als Mélanie aandachtiger bestuderen.

abbé Georges de Nantes
zomer 1996

site-crc.org/la-salette.html


(1) Pierre-Joseph Proudhon (1809-1865), Frans socialistisch en later anarchistisch denker (« Eigendom is diefstal »).

(2) Het Franse leger had door zijn overwinning van 29 juni 1849 op de troepen van Mazzini en Garibaldi de terugkeer van Pius IX naar Rome mogelijk gemaakt. De Fransen bezetten de Eeuwige Stad tot in 1866.

Advertenties

Een gedachte over “O. L. Vrouw van La Salette, een Boodschapster die bekeert

Geef een reactie

Gelieve met een van deze methodes in te loggen om je reactie te plaatsen:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s